Stel: de gemeente heeft een voorkeursrecht gevestigd op uw perceel. Hoe lang geldt dit voorkeursrecht dan eigenlijk? In dit artikel ga ik in op de geldigheidsduur van het gemeentelijk voorkeursrecht.
De duur van het voorkeursrecht
De gemeenteraad kan een voorkeursrecht vestigen op basis van verschillende grondslagen. Deze grondslagen staan genoemd in artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet en zijn besproken in het artikel ‘Wanneer mag de gemeente een voorkeursrecht vestigen?’ De duur van het voorkeursrecht is afhankelijk van de grondslag van het voorkeursrecht. De geldingsduur van het voorkeursrecht is geregeld in artikel 9.4 Omgevingswet.
In het artikel ‘Het voorlopig voorkeursrecht’ is toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders een voorlopig voorkeursrecht kan vestigen. Het college vestigt een voorlopig voorkeursrecht voor maximaal drie maanden. Dit is de kortste geldigheidsduur van het gemeentelijk voorkeursrecht.
De geldigheidsduur van een gemeentelijk voorkeursrecht dat is gebaseerd op een omgevingsvisie, een programma of een zelfstandige voorkeursrechtbeschikking bedraagt maximaal drie jaar. Voorkeursrechten die op deze grondslagen worden gevestigd, kunnen niet worden verlengd. Een voorkeursrecht dat is gevestigd op grond van een omgevingsplan heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar. Als het voorkeursrecht is gevestigd op grond van een omgevingsplan, kan de gemeenteraad de geldigheidsduur van het gemeentelijk voorkeursrecht verlengen met maximaal vijf jaar. Dit is hieronder schematisch weergegeven:
| Grondslag | Maximale duur van het voorkeursrecht | Verlenging van het voorkeursrecht mogelijk? |
| Voorlopig voorkeursrecht | Maximaal 3 maanden | Nee |
| Omgevingsvisie | Maximaal 3 jaar | Nee |
| Programma | Maximaal 3 jaar | Nee |
| Zelfstandige voorkeursrechtbeschikking | Maximaal 3 jaar | Nee |
| (wijziging van het) Omgevingsplan | Maximaal 5 jaar | Ja, verlenging van maximaal 5 jaar mogelijk. |
‘Doorlopen’ van voorkeursrechten
Bij voorkeursrechten kan het principe van ‘doorlopen’ gelden. Een voorkeursrecht loopt als het ware automatisch door als binnen de geldingstermijn van een voorkeursrecht een nieuw, opvolgend planologische grondslag wordt vastgesteld.
Bijvoorbeeld, uw perceel heeft momenteel de bestemming ‘agrarisch’. De gemeente wil vanwege woningnood meer woningen creëren en is daarom van plan de bestemming, waaronder die van uw perceel, te wijzigen naar ‘wonen’. In het artikel ‘Wanneer mag de gemeente een voorkeursrecht vestigen?’ is uitgelegd dat altijd de meest concrete grondslag moet worden toegepast voor de vestiging van een voorkeursrecht. In dit voorbeeld ontbreekt nog concreet gemeentelijk beleid voor het creëren van woningen. De gemeente vestigt daarom een voorkeursrecht op grond van een zelfstandige voorkeursrechtbeschikking. Het voorkeursrecht geldt in dat geval drie jaar. Binnen die drie jaar ontwikkelt de gemeente beleid voor het creëren van woningen op uw perceel en legt dit vast in een omgevingsvisie. Met het vaststellen van deze omgevingsvisie loopt het reeds gevestigde voorkeursrecht als het ware door en geldt het voorkeursrecht nog eens drie jaren op grond van de vastgestelde omgevingsvisie.
Van rechtswege doorlopen
Dit doorlopen gebeurt van rechtswege. Een gemeente hoeft dus niet bij elk opvolgend planologisch grondslag (omgevingsvisie, programma, omgevingsplan) een nieuwe voorkeursrechtbeschikking te nemen om de geldigheidsduur van het gemeentelijk voorkeursrecht voort te zetten. Dit is alleen anders bij het verlengen van het voorkeursrecht op grond van een (wijziging) in het omgevingsplan. Dan moet de gemeente wel een apart besluit nemen.
Als alle grondslagen elkaar tijdig opvolgen, kunnen percelen voor een maximale periode van zestien jaar en drie maanden zijn aangewezen als gronden waarop het gemeentelijk voorkeursrecht van toepassing is. Zie het onderstaande schema:
| Fase | Grondslag | Maximale duur | Verlenging mogelijk? | Cumulatieve looptijd |
| 1 | Voorlopig voorkeursrecht | 3 maanden | Nee | 3 maanden |
| 2 | Vastgestelde omgevingsvisie óf programma | 3 jaar | Nee | 3 jaar + 3 maanden |
| 4 | Zelfstandige voorkeursrechtbeschikking | 3 jaar | Nee | 6 jaar + 3 maanden |
| 5 | Vastgesteld(e wijziging in het) omgevingsplan | 5 jaar | Ja, verlenging van maximaal 5 jaar mogelijk bij apart besluit | 11 jaar + 3 maanden |
| 6 | Verlenging omgevingsplan | 5 jaar | – | 16 jaar + 3 maanden |
Conclusie
De geldigheidsduur van een gemeentelijk voorkeursrecht is afhankelijk van de grondslag waarop het voorkeursrecht is gevestigd. Het verlengen van het gevestigde voorkeursrecht kan automatisch doorlopen als de gemeente binnen de geldingsduur van het voorkeursrecht een opvolgend juridische grondslag vaststelt, zoals bijvoorbeeld een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan. De totale duur van een voorkeursrecht kan maximaal zestien jaar en drie maanden zijn.